Klimaatschade, arm versus rijk, landen en individuën

0
Leestijd: 4 minuten

In FoodPersonality november, die vandaag en morgen bij de lezers verschijnt, is Laurens Sloot columnist, de directeur van EFMI Business School en bijzonder hoogleraar ‘ondernemerschap in de detailhandel’ bij de Rijksuniversiteit Groningen. In zijn column wijst hij erop dat mensen als Rabo-econome Barbara Baarsma en ‘weerman’ Gerrit Hiemstra zich hebben geuit over een ‘persoonlijk CO2-budget’. Met andere woorden, dat je in de toekomst niet zomaar zult kunnen vliegen, vlees eten en de zwaarste SUV’s rijden (de voorbeelden zijn van ons).

Sloot maakt melding van: ‘vergaande plannen tot het invoeren van systemen waarbij de overheid op huishoudniveau alle uitgaven boven de € 100 kan controleren aan wat en bij wie dat is uitgegeven. Formeel onder de noemer om witwassen tegen te gaan, maar digitaal 1 vinkje erbij en je kan gecontroleerd worden op jouw persoonlijke CO2-verbruik. Vinden we als ‘vrije burgers’ zulke systemen aanvaardbaar?”.

De klimaattop in de Egyptische plaats Sharm-el-Sheikh is net enkele dagen voorbij. Er zijn geen extra maatregelen aangekondigd. Wat vooral is aangekondigd, is dat rijke landen – die zelf weinig tot geen hinder ondervinden van extreem weer door de klimaatopwarming – landen financieel gaan ondersteunen die wél de lasten ondervinden van extreem weer, met als meest sprekende voorbeeld Pakistan, dat enkele maanden geleden voor een enorm groot deel overstroomd raakte. De gedachte daarbij is: rijke landen hebben decennialang geprofiteerd van de mogelijkheid tot ongebreidelde economische groei, zonder inperkingen die de aarde beschermen. Dat gedachtegoed was er enkele jaren nog niet, maar inmiddels begrijpen de rijke landen dat zij degenen zijn die die CO2-uitstoot van met name de laatste honderd jaar hebben veroorzaakt.

En nou terug naar ‘het individu’. In een artikel van de laatste uitgave van ‘Illuster’, een blad voor alumni van de Universiteit Utrecht, komt ene prof.dr. Ingrid Robeyns aan het woord, econoom en filosoof. Zij gaat in op de vraag of het moreel verantwoord is om een bovengrens te stellen aan de hoeveelheid waardevolle en schaarse goederen (zoals geld en economische hulpbronnen), die een individu mag gebruiken en bezitten.

Robeyns stelt nergens: ‘ja, we moeten rijkdom en bezit beperken’. Maar ze geeft wel argumenten als het om rijkdom in relatie tot klimaatbescherming gaat. Allereerst vinden we in het westen, nee, wellicht zelfs in de hele wereld, dat er een armoedegrens bestaat.. “We zijn het erover eens dat iedereen in zijn primaire levensbehoeften moet kunnen voorzien.” We zijn het er in de wereld niet over eens of het plafond op dit punt moet zijn. Tegenstanders vinden dit een inperking van het individu. “In het geval van het klimaat is het vrij eenvoudig te beargumenteren dat er een bovengrens zit aan het individuele gebruik ervan. We hebben het namelijk over een gemeenschappelijk goed – de atmosfeer. Als uitgangspunt zou iedere wereldburger evenveel recht moeten hebben op een deel ervan.”

Op het gebied van klimaat speelt een gevoel van onrechtvaardigheid een rol. “Hoe rijker mensen en landen zijn, hoe meer ze uitstoten.” Volgens Robeyns behalen extreem rijken soms zelfs een uitstoot van tweehonderd ton per jaar, terwijl de gemiddelde uitstoot per individu 4,5 ton per jaar is. Daarnaast is er nog een generatiekwestie. “Wij lenen, of eigenlijk stelen, van de toekomst van onze (achter)kleinkinderen. Standaard twee keer per jaar op vakantie met het vliegtuig is in de toekomst een onmogelijkheid zolang we niet emissie-arm kunnen vliegen.”

Er zijn dus volgens Robeyns verschillende ongelijke verdelingen van onze natuurlijke hulpbronnen. Maar, erkent ze, de kwestie individueel rijk versus individueel arm is hierbij best een lastige vraag. Want we zijn het er in een vrijemarkteconomie over eens dat elk individu er vrij in is om rijkdom te vergaren. Armoede heeft een ondergrens, rijkdom heeft geen bovengrens. Daar staat volgens Robeyns tegenover: ten eerste, je hebt dat als extreem rijke nooit in je eentje verdiend, daar zat een collectieve inspanning van meer mensen achter. Ten tweede, als het door vererving komt, is het nooit je eigen verdienste, en vererving houdt ‘privileges van generatie op generatie’ in stand. Ten derde, de rijkdom van individuen en bijvoorbeeld bedrijven kan zulke vormen aannemen dat het de democratische rechtsstaat kan ondermijnen, bijvoorbeeld door extreme rijkdom in te zetten voor machtsuitoefening.

Vergelijk de jaaromzet van Walmart. Als Walmart een land was, zou het nummer 22 op de lijst van landen met de hoogste bbp (bruto binnenlands product); dat voorbeeld komt niet van Robeyns, maar jaren geleden rekende een econoom dat uit met Walmart als voorbeeld, het is dus een historisch voorbeeld. En pas die enorme zak geld van toen op een politieke cultuur waarbij donaties voor een deel de politieke prioriteiten van een kandidaat tijdens verkiezingscampagnes kunnen beïnvloeden, zoals de politieke praktijk in de VS.

Robeyns meldt dat de ‘productie van rijkdom’ vaak schadelijk is voor het milieu, want bijna elke vorm van consumptie heeft een negatieve invloed op het milieu. “Waarom zouden extreem rijken meer moreel recht hebben op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen dan anderen?”

Robeyns gaat uitvoerig in op de manieren waarop je dan politiek-bestuurlijk tot een andere verhouding zou kunnen komen (vrijwillig rantsoeneren, reguleren, verbieden, bepaald gedrag stimuleren etc.). En: ze wijst ook op de mogelijkheid om rijkdom zelf te ‘reguleren’, een andere verdeling van rijkdom, herverdeling van inkomsten. Allemaal politieke keuzes. Robeyns laat zich daar niet over uit, ze zegt alleen dat dat de keuzes kunnen zijn.

Voor ‘de economen onder ons’: het pleidooi klinkt als ware Thomas Piketty hier aan het woord, maar dan met milieu als onderwerp. En waarom, beste lezer, melden we dit zo uitgebreid? Om een soort tegengas te geven bij een column van onze eigen columnist in FP? Nee, maar wel om te laten zien wat de mening van Laurens Sloot inhoudt (zien we het als ‘inperkingen’? Wat vinden we van een soort ‘surveillancesamenleving’ op het gebied van uitstoot?) versus die van Robeyns (hoe denken we over ‘opofferingen’, ten behoeve van de mensen in Pakistan, de Sahel etc. of de generaties na ons?). En dat mag breeduit in ons blad en/of op onze site, want er zijn genoeg mensen met een managementfunctie in de levensmiddelensector die tot die upper class behoren, en zelfs – een paar weken geleden kwam de jaarlijkse Quote 500 weer in de aandacht – enkele extreem rijken.
En dit is de discussie die de volgende jaren op hen af kan komen. Je hebt meer auto’s, meer huizen, grotere huizen (foto: een ‘geschakelde villa’, die momenteel in Laren te koop is, met een vraagprijs van € 1.450.000; fotobron: Funda), meer ‘leefruimte’, veel vakantiemogelijkheden, je reist naar het buitenland om winkels te bekijken etc.), maar wat gaat de rest van de wereld daarvan vinden en in welke mate vind jij bijvoorbeeld dat dat afgunst is onder het mom van milieuretoriek?